Rechterlijke dwaling van Stripschapprijs

Hoera, de Stripschapprijs is weer toegekend! Dit jaar viel Jesse van Muylwijck in de prijzen, met name dankzij zijn krantenstrip De Rechter. Is dit het beste dat de Nederlandse strip momenteel te bieden heeft? Ik denk het niet. Volgens mij is de Stripschapprijs toe aan een serieuze revisie.

Vooropgesteld: ik heb niks tegen de laureaat en feliciteer hem hierbij van harte met zijn prijs. Ook heb ik niks tegen de mensen die de Stripschapprijs dit jaar toekennen. Het zijn in hoofdzaak goede bekenden van me, waaronder collega-blogger Michael Minneboo, dus daar kan het niet aan liggen. Toch word ik niet warm van deze winnaar. De reden is simpel: De Rechter is niet zo’n bijster goede strip.

Al jaren is er in de stripwereld kritiek op de Stripschapprijs. Er lijkt soms een rode draad te ontbreken, dus winnen er naast stripmakers (voor wie de prijs is bedoeld) ook cartoonisten (Willem), tekenfilmmakers (Daan Jippes) en zelfs buitenlanders (Kamagurka, Don Lawrence). Lange tijd leken jongere stripmakers buitenspel te staan, vermoedelijk omdat hun oeuvre nog te klein was. De laatste zeven jaar werd een inhaalslag gemaakt door Stripgeneratie X vier keer te bekronen: Barbara Stok, Erik Kriek (Gutsman), Mark Retera (Dirkjan) en de makers van Fokke & Sukke.

In de stripsector klinkt regelmatig de vrees dat het aantal geschikte kandidaten aan het opraken is. Weinig nieuwe toppers breken door, terwijl anderen simpelweg te weinig gemaakt hebben. Zo verdient Peter van Dongen wat mij betreft zonder meer de prijs, maar hikten verschillende jury’s (ik zat er zelf ook ooit enkele jaren in) aan tegen zijn beperkte oeuvre van slechts vier boeken.

Bij het lezen van de verantwoording door de commissie die dit jaar de Stripschapprijs toekende, stuitte ik op een argumentatie waarin ik teruglees dat er flink geworsteld is met deze uitkomst:

“De commissie van de Stripschapprijzen huldigt Van Muylwijck niet alleen vanwege de duur of het succes van zijn strip. Het maken van een krantenstrip is een eenzame bezigheid, waarbij het vaak lijkt alsof je buiten alle clubs en stromingen valt. Toch is wat Van Muylwijck doet een typische uiting van de mogelijkheden van de strip. Terwijl andere tekenaars moeten worstelen om een platform te vinden voor hun talent, of via de graphic novel proberen nieuwe vormen te creĆ«ren om het publiek mee te vinden (een trend die gelukkig steeds meer succes lijkt te hebben), heeft Jesse van Muylwijck een vorm gevonden waarmee hij dagelijks meer dan drie en een half miljoen lezers van alle leeftijden bereikt. Daarmee houdt hij de strip levend, dus hulde voor hem en voor alle kranten die hem die gelegenheid geven.”

In feite is dit veeleer een blijk van waardering voor dagbladen die nog altijd krantenstrips publiceren. Natuurlijk is het een verdienste dat Van Muylwijck nog steeds brede aftrek vindt voor zijn strips, maar ik mis de inhoudelijke onderbouwing van de kwaliteit van zijn werk. Het staat aan het eind van het commissierapport, maar klinkt toch wat vaag:

“De stijl van Jesse van Muylwijck is primitief en toegankelijk. Als hij op De Stripdagen in Houten signeert, staan er voor zijn stand altijd rijen fans, die om een tekening van De Rechter vragen of een karikatuur van zichzelf. Gewone mensen, van alle leeftijden. Wat nog maar eens onderstreept dat De Rechter van Jesse van Muylwijck een geslaagde samensmelting is van inhoud en vorm. Een eigenzinnige uiting van de unieke mogelijkheden van het medium strip.”

Daarnaast wordt de winnaar geprezen vanwege prestaties die losstaan van zijn vak als striptekenaar: hij is een entrepreneur die zijn eigen strips uitgeeft, hij is een verdienstelijk schilder en portrettekenaar. Die andere tekentalenten zijn irrelevant. Het ondernemerschap vind ik een twijfelgeval: het geldt ook voor de eerdere winnaars Henk Kuypers (Franka) en Jean-Marc van Tol (Fokke & Sukke), maar die wonnen de prijs toch vooral vanwege hun werk.

Het oeuvre van Van Muylwijck haalt het niet bij dat van dergelijke voorgangers. Daarom vind ik zijn uitverkiezing een keuze die aantoont dat de spoeling van de Stripschapprijs wel heel erg dun is geworden. Een rechterlijke dwaling, zeg maar. Wellicht is het een idee om er een tweejaarlijkse prijs van te gaan maken. Dan hoeft de commissie zich niet meer in allerlei bochten te wringen en neemt zij de schijn weg dat er straks een Stripschapprijs klaar ligt voor iedere volhardende tekenaar.

Tags: , , ,

Leave a Reply